zondag 3 december 2017

Kardinaal Sarah krijgt van Franciscus een draai om zijn oren. Achter de schermen.

(Hieronder een commentaar van de Vaticanist Sandro Magister op de onheuse manier waarop paus Franciscus de hoogstaande kardinaal Sarah behandelt en op de weg die Franciscus met de Kerk wil inslaan)

De brief waarmee Franciscus onlangs kardinaal Robert Sarah, de prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, weersprak en vernederde, is het nieuwste bewijs van hoe deze paus zijn magisterium uitoefent. Als Franciscus nieuwigheden wil invoeren, doet hij dat nooit in duidelijke en heldere bewoordingen. Hij zorgt liever dat er discussies ontstaan, hij zet “processen” in werking waarin die nieuwigheden geleidelijk meer naar voren komen. Het grofste voorbeeld daarvan is “Amoris Laetitia” waarvoor tegengestelde interpretaties en toepassingen worden gegeven, met hele episcopaten die zich verzamelen aan de ene of de andere kant. En als de paus wordt gevraagd om verduidelijking, dan weigert hij die. Zoals hij in het geval van de vijf “dubia” die vier kardinalen hem voorlegden, zich niet verwaardigde ook maar enig antwoord te geven.

Maar wanneer een kardinaal zoals Sarah, een autoriteit door functie en verantwoordelijkheden, meent aan een pauselijk motu proprio over de liturgie de enige uitleg te geven die hij als juist ziet en dus geïmplementeerd moet worden door de Congregatie waarvan hij de prefect is, blijft Franciscus niet zwijgen maar reageert met hardheid ter verdediging van die passages van het motu proprio – die feitelijk allesbehalve duidelijk zijn – die de liberalisaties bevatten die hem na aan het hart liggen.
Dat is nu juist wat er de afgelopen dagen is gebeurd. Laten we de gebeurtenissen samenvatten.

Op 9 september publiceert Franciscus het motu proprio “Magnum Principium” over de aanpassingen en de vertalingen in de moderne talen van de liturgische teksten van de Latijnse Kerk. Als het motu proprio de rol bepaalt van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst ten aanzien van de aanpassingen en vertalingen van de liturgische teksten, die verzorgd zijn door de nationale bisschoppenconfrenties en ter goedkeuring voorgelegd worden aan de Heilige Stoel, maakt het onderscheid tussen “recognitio” en “confirmatio”, tussen controle en bekrachtiging. Maar het onderscheid daartussen is geenszins duidelijk uiteengezet. En in feite ontstonden er meteen twee kampen onder de experts. Er zijn er die menen dat “recognitio” betekent de voorafgaande controle door Rome en dat die alleen de aanpassingen zou betreffen, terwijl voor de vertalingen de Heilige Stoel alleen maar een eenvoudige “confirmatio” dwz een goedkeuring hoeft te geven. Er zijn er ook die in plaats daarvan menen dat Rome ook op de vertalingen een precieze controle moet uitoefenen voordat ze die goedkeuren. Dat is in feite wat vroeger al gebeurde en daarom hebben verschillende nieuwe vertalingen een moeilijke ontstaansgeschiedenis gehad – zoals die van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Ierland of zoals die van Frankrijk, Italië en Duitsland die nog wachten op Romeinse goedkeuring.

Met name de nieuwe vertaling in het Duits was een voorwerp van kritiek van Benedictus XVI zelf, die in 2012 een brief schreef aan zijn de Duitse bisschoppen om hen ervan te overtuigen  de woorden van Jezus bij het Laatste Avondmaal op het ogenblik van de consecratie met meer getrouwheid te vertalen  (“vergoten voor velen” in plaats van “vergoten voor allen”).
Om terug te komen op het motu proprio “Magnum Principium”: dan moeten we vaststellen dat bij de redactie van het motu proprio kardinaal Sarah er volkomen buiten werd gehouden. En dit terwijl hij de prefect van de congregatie is maar het middenkader heeft hem al lang tegengewerkt.

Op 30 september schreef Sarah een dankbrief naar paus Franciscus die vergezeld ging van een gedetailleerd “Commentaar”, dat gericht was op een correcte interpretatie en toepassing van het motu proprio. Die interpretatie was tamelijk strikt als het gaat over de formuleringen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Naar het oordeel van Sarah zijn “recognitio” en “confirmatio” in werkelijkheid “synoniem” of in ieder geval “onderling verwisselbaar wat de verantwoordelijkheid van de Heilige Stoel betreft”, wiens taak om de vertalingen te controleren voordat ze goedgekeurd worden blijft bestaan. Enkele weken later verscheen het “Commentaar” van de kardinaal op diverse websites en dat leidde tot de conclusie – gegeven de positie van de auteur van het “Commentaar” – dat in Rome de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst volgens deze richtlijnen zou handelen.

En dit irriteerde paus Franciscus enorm en hij tekende op 15 oktober een brief die kardinaal Sarah botweg tegensprak. Een brief waarin de paus de nationale bisschoppenconferenties de vrijheid en het bevoegdheid geeft zelf over de vertalingen te beslissen met als enige voorwaarde een laatste “confirmatio” door de Vaticaanse Congregatie.
En in ieder geval – zo schrijft de paus – zonder “een geest waarin een bepaalde vertaling door het dicasterie wordt opgelegd” in Rome, zelfs voor “betekenisvolle” liturgische teksten zoals de “sacramentele formules, het credo, en het onzevader.”

De conclusie van de brief van de paus aan de kardinaal is venijnig: “in acht genomen dat het “Commentaar” in kwestie op tal van websites is gepubliceerd en abusievelijk aan uw persoon wordt toegeschreven, vraag ik u vriendelijk er voor te zorgen dat dit antwoord van mij op dezelfde sites worden gezet en ook naar alle bisschoppenconferenties worden verzonden en naar de leden en adviseurs van dit dicasterie.”

Er ligt een diepe afgrond tussen deze brief van Franciscus en de hartelijke woorden van achting, die uitgedrukt liggen in het schrijven van paus emeritus Benedictus XVI aan kardinaal Sarah enkele maanden geleden. Hij zei er zeker van te zijn dat bij kardinaal Sarah “de liturgie in goede handen is” en dat we daarom “paus Franciscus dankbaar moeten zijn dat hij een dergelijke spirituele leraar aan het hoofd van de congregatie heeft geplaatst die verantwoordelijk is voor de viering van de liturgie in de Kerk.”

Het is onnodig te zeggen dat het voorwerp van de botsing tussen Franciscus en kardinaal Sarah niet  iets bijkomstigs is, maar raakt aan de fundamenten van het leven van de Kerk volgens het oude gezegde: “Lex orandi, lex credendi”.  (De wet van het bidden is de wet van het geloven) Omdat het “proces” dat Franciscus in gang wil zetten, juist een proces is om door een decentralisatie van liturgische aanpassingen en vertalingen naar de nationale kerken, de totale structuur van de Kerk te veranderen en ze te maken tot een federatie van nationale kerken met een uitgebreide autonomie “met daarin begrepen een echt leerstellig gezag.”
Deze laatste woorden komen uit “Evangelii Gaudium”, de programmatische tekst voor het pontificaat van Franciscus. Deze woorden waren ook raadselachtig toen ze in 2013 werden gepubliceerd. Maar nu een beetje minder.

26 oktober 2017

vertaling C. Mennen pr

Update van het einde van de wereld: De “uitersten” volgens Franciscus

(Pastoor Mennen: De filosofisch-theologische hogeschool Heiligenkreuz heeft een professor ontslagen die de de correctio filialis ondertekend had. Dit omdat sinds de stichting van het instituut de stelregel geldt: “sub Petro et cum Petro” (onder Petrus en met Petrus). Kritiek op de paus is dus niet toegestaan, blijkbaar zelfs niet als de paus “rare dingen” verkondigt. Dat de paus “rare dingen” verkondigt wordt hieronder door Sandro Magister opnieuw aangetoond. Die “rare dingen” zou je ook “naaste gelegenheid tot ketterij” kunnen noemen, waartegen katholieken zich moeten verzetten.)

door Sandro Magister 20 oktober 2017

In de belangrijke krant “la Repubblica” waarvan hij de grondlegger is, sprak Eugenio Scalfari, een onbetwiste autoriteit in het Italiaans seculiere denken, op 9 oktober j.l. opnieuw in de volgende bewoordingen over wat hij ziet als de “revolutie” van dit pontificaat, in dingen die Franciscus heeft gezegd en die ontleent aan de herhaalde gesprekken met hem:

“Paus Franciscus heeft de plaatsen waar volgens vroegere voorstellingen de zielen na hun dood heengingen afgeschaft: hel, vagevuur en hemel. Het idee dat hij heeft, is dat de zielen die beheerst worden door het kwaad en geen berouw hebben, ophouden te bestaan, terwijl zij die van het kwaad bevrijd zijn, in de zaligheid zullen worden opgenomen en God zullen aanschouwen.”

Terwijl hij meteen daarna opmerkt:

“Het algemeen oordeel, dat in de traditie van de Kerk bestaat, verliest daarom zijn betekenis. Het blijft een simpele illusie die gezorgd heeft voor schitterende schilderingen in de kunstgeschiedenis. Niets meer dan dat.”

Het is erg twijfelachtig of paus Franciscus zich werkelijk wil ontdoen van de “uitersten” op een manier zoals die beschreven wordt door Scalfari. Er is in zijn prediking echter iets dat neigt tot een feitelijke verduistering van het laatste oordeel en van de tegengestelde bestemmingen voor de gezegenden en de verdoemden.

*

Op woensdag 11 oktober zei Franciscus tijdens de algemene audiëntie op het St.-Pietersplein, dat je niet bang hoeft te zijn voor een dergelijk oordeel, omdat “er aan het eind van onze geschiedenis een barmhartige Jezus is”,  en daarom “alles zal worden gered. Alles.” In de tekst die uitgedeeld werd aan de journalisten die bij de H. Stoel geaccrediteerd zijn, was het laatste woord “alles” nadrukkelijk dik gedrukt.

*

Tijdens een andere audiëntie een paar maanden geleden, op woensdag 23 augustus, schilderde Franciscus van het eind van de geschiedenis een beeld dat louter en alleen troostend is: dat van “een geweldige tent, waar God alle mensen zal verwelkomen om voor altijd bij hen te wonen.” Dit beeld is niet van hemzelf maar ontleend aan hoofdstuk 21 van de Openbaring maar Franciscus was wel zo voorzichtig niet de volgende woorden van Jezus te citeren: “Hij die overwint zal dit alles beërven, en Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon, maar wat betreft de lafhartigen, de ongelovigen, de laaghartigen, de moordenaars, zij die onkuisheid bedrijven, de tovenaars, de afgodendienaars en de bedriegers van allerlei soort, hun lot is de brandende poel van vuur en zwavel, en dat is de tweede dood.”

*

En weer tijdens het Angelus van zondag 15 oktober, in een commentaar op de parabel van het bruiloftsmaal (Mt. 22, 1-14) die was gelezen in alle missen van die dag, vermeed Franciscus zorgvuldig de meest verontrustende delen. Zowel dat gedeelte waarin “de koning verontwaardigd werd, zijn troepen stuurde en die moordenaars doodde en hun stand neerbrandde.” En ook dat deel waarin de koning, toen “hij een man zag die geen bruiloftskleed droeg” zijn dienaren het bevel gaf: “Bind hem aan handen en voeten en werp hem buiten in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.”

*

Op de zondag ervoor onderging een andere parabel, die van de moordzuchtige wijnbouwers (Mt. 21, 33-43) eenzelfde selectieve behandeling. In een commentaar op de parabel gedurende het Angelus laat de paus weg wat de eigenaar van de wijngaard doet met die wijnbouwers die de dienaren doodden en tenslotte de zoon: “Hij zal deze ellendelingen een ellendige dood doen sterven”. Al helemaal citeert hij niet de slotwoorden van Jezus waarin hij naar zichzelf verwijst als de “hoeksteen”: “En wie op deze steen valt, hij zal in stukken gebroken worden en als die steen op iemand valt hij zal hem verbrijzelen..” In plaats daarvan verdedigt paus Franciscus met nadruk God tegen de aanklacht dat hij wraakzuchtig zou zijn, bijna alsof hij de excessen van “rechtvaardigheid” die hij in de parabel heeft ontdekt, wil verzachten: “Hier kan men het grote nieuws van het christendom vinden: een God die ondanks zijn teleurstelling over onze misstappen en onze zonden, niet terugkomt op zijn woord, niet stil staat, en bovenal zichzelf niet wreekt! Broeders en zusters. God wreekt zichzelf niet! God bemint, Hij wreekt zichzelf niet, hij wacht op ons om ons te vergeven, om ons te omhelzen.”

*

In de homilie op Pinksteren, op 4 juni, ging Franciscus zoals hij dikwijls doet, in tegen “hen die oordelen”. Dan citeert hij de woorden van de verrezen Heer tot zijn apostelen en impliciet tot hun opvolgers in de Kerk (Joh. 20, 22-23), maar met opzet citeert hij maar de helft: “Ontvang de Heilige Geest. Wier zonden gij vergeeft, hun zullen ze vergeven zijn.” Daarbij laat hij de volgende woorden weg: “Wie gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven zijn.” En het feit dat die inkorting opzettelijk was, wordt bewezen door de herhaling ervan. Omdat Franciscus precies dezelfde woorden van Jezus had geschrapt op 23 april voordien, bij het Regina Caeli op de eerste zondag na Pasen.

*

Eveneens liet Franciscus bij zijn bezoek aan Fatima zien dat hij Jezus wilde bevrijden van diens reputatie als onbuigzame rechter op het eind der tijden. En om dat te doen waarschuwt hij voor het volgende verkeerde beeld van Maria: “Een Maria van eigen maaksel: een die de arm van een wraakzuchtige God tegenhoudt; een Maria die zoeter is dan Jezus, de meedogenloze rechter.”

*

Daar moet aan worden toegevoegd dat de vrijheid waarmee paus Franciscus de woorden van de heilige Schrift uit zijn verband rukt en aanpast, niet alleen betrekking heeft op het algemeen oordeel. Oorverdovend is bijvoorbeeld de stilte waarmee hij steeds de veroordeling door Jezus van de echtbreuk omgeeft ((Mt. 19, 2-11 en parallel plaatsen). Door een verrassende samenloop van omstandigheden was deze veroordeling opgenomen in de evangeliepassage die in alle kerken van de wereld werd gelezen precies op de zondag waarop de tweede sessie van de bisschoppensynode over gezin begon, 4 oktober 2015. Maar noch in de homilie noch bij het Angelus van die dag verwees de paus met een woord naar deze tekst. Ook verwees hij er niet naar bij het Angelus van zondag 12 februari 2017, toen die veroordeling weer in alle kerken werd gelezen. Niet alleen dat. De woorden van Jezus tegen echtbreuk komen ook niet voor in 200 pagina’s van de postsynodale exhortatie Amoris Laetitia. Ook kwamen daarin de verschrikkelijke woorden met de veroordeling van homoseksualiteit niet voor die door de apostel Paulus geschreven zijn in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. Een eerste hoofdstuk dat – nog een toeval – ook gelezen werd in de doordeweekse missen in de tweede week van de synode van 2015. Het is waar, deze woorden kwamen niet voor in het missaal. Maar in ieder geval, noch de paus noch iemand anders citeerde ze op enig moment terwijl de discussies op de synode gehouden werden over de verandering van het paradigma over de beoordeling van homoseksualiteit: “Daarom heeft God hen overgeleverd aan onterende hartstochten. Hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke gemeenschap met vrouwen opgegeven en zijn in lust voor elkaar ontbrand: mannen plegen ontucht met mannen. Zo ontvangen zij aan den lijve het verdiende loon voor hun afdwaling. En daar zij het niet de moeite waard hebben geacht God te erkennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun nietswaardige gezindheid zodat zij alles doen wat niet te pas komt. Vervuld zijn zij van allerlei ongerechtigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid; vol nijd, bloeddorst, tweespalt, bedrog en kwaadaardigheid. Roddelaars zijn het, lasteraars, haters van God, vermetel, verwaand, protserig, vindingrijk in het kwaad, ongehoorzaam aan hun ouders, onverstandig, onbestendig, zonder liefde en zonder mededogen. En ofschoon zij Gods vonnis kennen, dat zij die zulke dingen doen de dood verdienen, bedrijven zij deze misdaden niet alleen, maar juichen ze ook toe bij anderen.” (Rom. 1, 26-32)

*

Bovendien neemt paus Franciscus de vrijheid om de woorden van de Heilige Schrift op zijn manier te herschrijven. Bijvoorbeeld in de morgenhomilie in Santa Marta op 4 september 2014 dicht de paus aan de heilige Paulus de volgende “aanstootgevende” woorden toe: “Ik roem alleen op mijn zonden.” En hij besloot met de uitnodiging aan de aanwezige gelovigen om te “roemen” op hun eigen zonden omdat zij door Jezus zijn vergeven op het kruis. Maar nergens in de brieven van Paulus, kan men een dergelijke uitspraak vinden. In plaats daarvan zegt de apostel van zichzelf: “Als ik moet roemen, dan wil ik roemen op mijn zwakheid” (2 Kor. 11, 30), nadat hij alle wederwaardigheden van zijn leven had opgesomd – de gevangenschappen, de geselingen en de schipbreuken.  Of “Op mijzelf wil ik niet roemen, tenzij op mijn zwakheid” (2 Kor. 12, 5). Of nog een keer: “Hij zei tot mij: ‘Mijn genade is u genoeg; mijn kracht is ten volle openbaar geworden in zwakheid’. Ik zal daarom in blijdschap roemen op mijn zwakheden zodat de kracht van Christus in mij woont” (2 Kor. 12, 9), met nog meer verwijzingen naar het geweld, de vervolging en de pijnen die hij heeft geleden.

*

Om terug te komen op het laatste oordeel: paus Benedictus XVI erkende zelfs dat “in de moderne tijd het idee van het laatste oordeel naar de achtergrond was verdwenen.” Maar in de encycliek Spe  Salvi die hij helemaal alleen schreef, bevestigde hij opnieuw krachtig dat het laatste oordeel “het beslissende beeld van hoop” is. Het is een beeld dat “oproept tot verantwoordelijkheid”, omdat “genade de rechtvaardigheid niet opheft”, maar omdat daarentegen “de kwestie van de rechtvaardigheid het wezenlijke element vormt, of in ieder geval het sterkste element ten voordele van het geloof in het eeuwig leven, “omdat” met de onmogelijkheid dat de onrechtvaardigheid van de geschiedenis het laatste woord zou hebben de noodzakelijkheid van de wederkomst van Christus en het nieuwe leven ten volle overtuigend is.”

En opnieuw:

Genade verandert kwaad niet in goed. Zij is geen spons die alles zomaar wegwist, zodat wat iemand  dan ook maar op aarde gedaan heeft, uiteindelijke dezelfde waarde zou hebben. Dostojewski had gelijk dat hij in zijn verhaal “De gebroeders Karamazov” protesteerde tegen een dergelijke hemel en tegen dat soort genade. Boosdoeners zitten op het eind bij het eeuwig feestmaal aan tafel niet zonder enige onderscheid naast hun slachtoffers, alsof er niets gebeurd zou zijn.”

Vertaling: C. Mennen pr

De hel

Jezus zegt:
“Ik heb je ooit het monster uit de afgrond laten zien. Vandaag zal Ik je spreken over zijn rijk. Ik kan je niet altijd in het Paradijs laten. Denk eraan dat je de zending hebt je broeders terug te roepen tot de Waarheid, die ze te zeer hebben vergeten, en dat door die achteloosheid, die in werkelijkheid verachting is voor de eeuwige waarheden, zoveel kwaad over de mensen komt.
Schrijf dus deze pijnlijke bladzijden. Daarna zul je getroost worden. Het is vrijdagnacht. Schrijf terwijl je opziet naar je Jezus, Die aan het kruis gestorven is onder zulke martelingen dat ze te vergelijken zijn met die van de hel, en dat Hij een dergelijke dood heeft gewild om de mensen te redden van de Dood.
De mensen van deze tijd geloven niet meer in het bestaan van de hel. Ze hebben zich een hiernamaals samengesteld naar eigen smaak, en zodanig dat het minder schrikaanjagend is voor hun geweten, dat veel straf verdient. Meer of minder trouwe leerlingen van de geest van het Kwaad, weten ze dat hun geweten bepaalde misdrijven achterwege zou laten als ze werkelijk in de hel zouden geloven zoals het Geloof dat leert; ze weten dat hun geweten, na volbrachte misdaad, in zichzelf zou keren en in wroeging tot berouw zou komen, het berouw zou vinden in hun angst en door het berouw de weg om naar Mij terug te keren.
Hun kwaadwilligheid, van Satan geleerd, van wie zij dienaren of slaven zijn (naargelang hun instemming met de wensen en de suggesties van de Boze), wil die terugtrekking en die terugkeer niet. Hun kwaadwilligheid annuleert daarom het geloof in de hel, die werkelijk bestaat, en fabriceert voor zichzelf een ander geloof – als het dat al doet – dat niets ander is dan een stilstand om de aanloop te nemen naar andere toekomstige opstandigheden.
Hij drijft zijn mening zo ver, dat hij heiligschennend gelooft dat de grootste van alle zondaars van de mensheid, de favoriete zoon van Satan, die een dief was, zoals staat geschreven in het Evangelie, die wellustig was en naar menselijke glorie verlangde zoals Ik zeg, Iskarioth, die door de honger van de drievoudige wellust zich tot verkoper heeft gemaakt van de Zoon van God, en voor dertig zilverlingen en met het teken van een kus – een belachelijke geldwaarde en een oneindige gevoelswaarde – Mij heeft overgeleverd in de handen van de beulen, zich zou kunnen verlossen en langs opeenvolgende fasen tot Mij zou kunnen komen.
Nee. Als hij de heiligschennis bij uitstek was, Ik ben het niet. Als hij de onrechtschapene bij uitstek was, Ik ben het niet. Als hij degene was die Mijn Bloed met verachting vergoot, Ik ben het niet. En aan Judas vergeven zou heiligschennis zijn tegenover Mijn Godheid, die hij heeft verraden, zou onrechtvaardigheid zijn tegenover alle andere mensen, altijd minder schuldig dan hij, die toch zijn gestraft voor hun zonden, zou verachting zijn tegenover Mijn Bloed, zou tenslotte tekortdoen aan Mijn wetten.
Ik, de ene en Drie-Ene God, heb gezegd, dat wat voor de hel bestemd is, daarin de hele eeuwigheid zal blijven, want uit die dood staat men niet op voor een nieuwe verrijzenis. Ik heb gezegd, dat dit vuur eeuwig is en dat daarin alle bedrijvers van ergernis en ongerechtigheid  zullen worden ontvangen. En gelooft niet dat dit zo is tot het einde van de wereld. Nee, integendeel, na de vreselijke monstering zal die plaats van tranen en kwelling onbarmhartiger worden, omdat wat nog aan haar gasten is toegestaan als hun hels vermaak – het schade kunnen toebrengen aan de levenden en het zien van nieuwe verdoemden die naar beneden storten in de afgrond – er niet meer zal zijn, en de poort van het helse rijk van Satan zal worden dichtgeslagen en vergrendeld door Mijn engelen, voor altijd, voor altijd, voor altijd, een altijd waarvan het aantal jaren geen getal heeft, en in vergelijking waarmee, als de zandkorrels van alle oceanen van de aarde jaren zouden worden, zij nog minder zouden zijn dan een dag van de onmetelijke eeuwigheid, bestaande uit licht en glorie in de Hemel voor de gezegenden, en bestaande uit duisternis en verschrikking voor de verdoemden in de afgrond.
Ik heb je gezegd, dat het Vagevuur een vuur van liefde is. De hel is een vuur van gestrengheid.
Het Vagevuur is de plaats waarin jullie – denkend aan God, Wiens Wezen voor jullie heeft geschitterd op het moment van het persoonlijk oordeel, wat jullie heeft vervuld van verlangen Hem te bezitten – waarin jullie uitboeten voor het gebrek aan liefde voor de Heer, jullie God. Door de liefde veroveren jullie de Liefde, en door gradueel steeds vuriger liefde wassen jullie je gewaad rein tot het wit en lichtend is, om binnen te gaan  in het Rijk van Licht, waarvan ik je enkele dagen geleden de schittering heb laten zien (10 januari 1944).
De hel is de plaats waarin de gedachte aan God, de herinnering aan de God die men vluchtig heeft gezien bij het persoonlijk oordeel, niet zo is als voor de mensen in het Vagevuur, een heilig verlangen, een droevig maar hoopvol heimwee, hoop vol rustig afwachten, van zekere vrede die de volmaaktheid zal bereiken als God veroverd is, maar die al aan de uitboetende geest een blijde werkzaamheid geeft, omdat elke smart, elk ogenblik van smart hen dichter bij God brengt, hun Liefde. In de hel is echter wroeging, is woede, is verdoemenis, is haat. Haat tegen satan, haat tegen de mensen, haat tegen zichzelf.

Na tijdens het leven Satan te hebben aanbeden in plaats van Mij, nu ze hem bezitten en zijn ware gezicht zien, niet langer verborgen achter de betoverende glimlach van het vlees, achter de lichtende schittering van het goud, onder het machtige teken van het oppergezag, haten ze hem, omdat hij de oorzaak van hun kwelling is.

Na de mensen te hebben aanbeden, hun waardigheid van kinderen van God vergetend, zo ver dat ze zich voor hen tot moordenaars, dieven, oplichters en handelaren in onreinheid hebben gemaakt, nu ze hun meesters terugvinden waarvoor ze hebben gedood, geroofd, bedrogen, hun eigen eer hebben verkocht en de eer van zoveel ongelukkige, zwakke, onbeschermde schepselen, door van hen instrumenten te maken van ondeugd die de beesten niet kennen – tot wellust, kenteken van de mens die door Satan is vergiftigd – nu haten ze die mensen, omdat zij de oorzaak van hun kwelling zijn.

Na zichzelf te hebben aanbeden door aan het vlees, aan het bloed, en de zeven begeerten van hun vlees en hun bloed alle bevrediging te geven, door de Wet van God en de wet van de moraal met voeten te treden, nu haten ze zichzelf, omdat ze zichzelf zien als de oorzaak van hun kwelling.

Met het woord 'Haat' is dat rijk behangen; het brult in de vlammen; het schreeuwt in het tandengeknars van de duivels; het snikt en blaft in de jammerklachten van de verdoemden; dat woord 'Haat' weerklinkt en weerklinkt als een eeuwige klepel van een klok; het schalt als een eeuwige doodsbazuin, vervult alle uithoeken van die kerker, is in zichzelf een kwelling, omdat het bij elke weerklank de herinnering vernieuwt aan de Liefde die voor eeuwig verloren is, de wroeging Haar te hebben willen verliezen, de woede Haar nooit meer te kunnen weerzien.
De dode ziel, temidden van de vlammen, zoals die lichamen die op de brandstapels geworpen zijn of in de ovens van de crematoria, kronkelt en schreeuwt als weer bezield door een vitale beweging en wordt wakker om haar fout te begrijpen, en sterft en wordt elk moment opnieuw geboren met afschuwelijk lijden, want de wroeging doodt haar in een vloek en de doding brengt haar weer tot leven voor een nieuwe kwelling. Heel de misdaad God te hebben verraden in de tijd staat de ziel in eeuwigheid voor ogen; heel de fout God te hebben afgewezen in de tijd staat haar door haar kwelling in alle eeuwigheid voor ogen.
In het vuur weerspiegelen de vlammen de spookbeelden van wat ze tijdens hun leven op aarde hebben aanbeden; de hartstochten worden afgeschilderd in roodgloeiende penseelstreken met nog verlokkender aanblik, en schreeuwen, schreeuwen in hun herinnering: “Je hebt het vuur van de hartstochten gewild. Nu heb je het vuur, door God ontstoken, Wiens heilig Vuur je hebt bespot”.
Vuur beantwoordt aan vuur. In het Paradijs is volmaakt vuur van liefde. In het Vagevuur is vuur van zuiverende liefde. In de Hel is vuur van gekrenkte liefde. Aangezien de uitverkorenen volmaakt hebben bemind, geeft de Liefde Zich aan hen in Haar volmaaktheid. Daar de zielen in het Vagevuur lauw hebben bemind, maakt de Liefde Zich tot vlam om hen tot de Volmaaktheid te brengen. Omdat de verdoemden hebben gebrand van alle vuren behalve van het Vuur van God, brandt het Vuur van de toorn van God hen in eeuwigheid. En in het vuur heerst ijzige kou.
Oh! wat de Hel is kunnen jullie je niet voorstellen. Neemt alles wat voor de mens op aarde kwelling is: vuur, vlam, vorst, overstroming van water, honger, slaap, dorst, wonden, ziekten, plagen, dood, telt dat op en vermenigvuldigt het miljoenen malen. Dan hebben jullie slechts een schijntje van die verschrikkelijke waarheid.
In de onhoudbare gloed zal ijzige kou gemengd zijn. De verdoemden brandden van alle menselijke vuren en voelden slechts geestelijke ijzige koude voor de Heer, hun God. En ijzige kou wacht hen om hen te doen bevriezen, nadat het vuur hen zal hebben gezouten als vissen die op een vlam worden gelegd om te worden geroosterd. Kwelling in de kwelling, dit overgaan van de gloed die ontbindt naar de kou die condenseert.
Oh! Dit is geen figuurlijke taal, want God kan maken dat zielen, zwaar van de begane zonden, dezelfde gevoeligheid hebben als een vlees, ook voordat dat vlees opnieuw de ziel bekleedt. Jullie weten en jullie geloven niet. Maar waarlijk zeg Ik jullie, dat jullie er de voorkeur aan zouden geven alle kwellingen van Mijn martelaren te ondergaan, liever dan één uur van die helse kwellingen.
De duisternis zal een derde kwelling zijn. De materiële en de geestelijke duisternis. Om voor altijd in het duister te verblijven na het licht van het Paradijs te hebben gezien. En in de omhelzing van de Duisternis te zijn na het Licht, dat God is, te hebben gezien! Zich heftig verweren in die duistere verschrikking, waarin alleen verlicht wordt, als terugkaatsing van de brandende geest, de naam van de zonde waardoor men aan die verschrikking is gekluisterd! Geen houvast vinden, in die woeling van geesten die elkaar haten en elkaar beurtelings schaden, dan in de wanhoop die hen gek maakt en steeds meer verdoemd. Zich met de wanhoop voeden, op haar steunen, elkaar daarmee doden. De dood zal de dood voeden, is er gezegd. De wanhoop is de dood en zal die doden de hele eeuwigheid voeden.
Ik zeg jullie, Ik Die ook die plaats heb geschapen: toen Ik daarnaar ben neergedaald om degenen uit het Voorgeborchte te halen die op Mijn komst wachtten, Ik, God, heb afschuw gevoeld voor die verschrikking, en als iets dat door God is gemaakt niet onveranderlijk was, omdat het volmaakt is, zou Ik hem minder wreed hebben willen maken, want Ik ben de Liefde en die verschikking heeft Mij pijn gedaan.
En jullie willen erheen gaan. O kinderen, overweegt Mijn woord. De zieken worden bittere medicijnen gegeven, bij de door kanker aangetasten wordt het gezwel uitgebrand en weggesneden. Dit is voor jullie, zieken en kankerpatiënten, het medicijn en de chirurgische behandeling. Weigert haar niet. Gebruikt haar om te genezen. Het leven duurt niet langer dan deze weinige dagen op aarde. Het Leven begint wanneer jullie menen dat het is afgelopen, en het kent daarna geen einde meer.
Zorgt ervoor dat het leven voor jullie verloopt naar waar het licht en de vreugde van God de eeuwigheid mooi maken en niet naar waar Satan de eeuwige kweller is.”

Johannes zegt:
“De troost zal ik zijn, kleine zuster.
Gisterochtend heb je je beklaagd bij onze goede Jezus. Het kwam je voor, dat Hij je achterstelde bij de arbeiders van het laatste uur, bij het onmiddellijk geofferde slachtoffer, terwijl jij, die sinds jaren op het altaar bent en die als eerste het door de Meester gegeven gebed hebt uitgesproken, nooit het offer ziet verteren.
Je bent mijn zuster, Maria. Ik ben de eerste leerling van Jezus geweest, ik ben degen geweest die meer dan allen aan Hem gelijk is geweest. Zijn woorden, Zijn affecties, Zijn verlangens heb ik tot de mijne gemaakt. Ik heb hetzelfde verlangen gehad als Hij, te sterven om te verlossen. En ik heb de anderen mij zien voorgaan naar God. Ook Paulus, de apostel van het reeds verlopen uur, is mij voorafgegaan. En Stefanus is als eerste gevallen, hij die na de Meester kwam. En ik ben gebleven.
Ik heb het lijden van de scheiding van de Meester gekend, de angst van de verachting, de vervolgingen, het martelaarschap, de verbanning. Maar niet de snelle vertering van het offer. Ik die naar mijn Jezus hunkerde, heb de jaren voorbij zien glijden tot op zeer hoge leeftijd alvorens Hem te kunnen bereiken.
En waarom? Zal mijn martelaarschap van liefde en van verlangen een minder martelaarschap zijn geweest dan dat van de anderen? En minder vruchtbaar? Nee, mijn kleine zuster. Er zijn er die onmiddellijk worden ontvangen en zij die 'moeten blijven zolang Hij wil dat ze blijven' (Joh. 21,23), omdat die de taak hebben Stem te zijn van God voor de broeders.
Geloof mij, zuster in de liefde van Christus, dat jouw wachten uitverkiezing van Jezus is. Hij laat je, omdat je Zijn kleine Johannes bent en moet prediken het woord dat de Meester je geeft, met liefde voor de broeders. Het is de zoetste zending.
De vrede zij altijd met je.”

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1944 blz.55,

Uitg. St. Maria Valtorta

zaterdag 2 december 2017

Menselijk wetenschap


22 Augustus 1943
De kerkelijke erkenning van deze geschriften is omstreden

Jezus zegt:
“Ik heb je verteld dat de eeuwig afgunstige probeert God na te apen in alle openbaringen van God.
God heeft Zijn trouwe aartsengelen. Satan de zijne. Michaël, Gods getuige, heeft een helse mededinger; en zo heeft Gabriël, Gods kracht, er één.
Het eerste beest, komend uit de zee, dat met een heiligschennende stem aan de bedrogenen doet verkondigen: 'Wie is gelijk aan het beest?' (Apok. 13:4), komt overeen met Michaël. Verslagen en verwond door Michaël, in de veldslag tussen de scharen van God en die van Lucifer, bij het begin van de tijd, en door Satan genezen, heeft het een dodelijke haat tegen Michaël, en liefde – als men van liefde kan spreken onder duivels, het is beter te zeggen: absolute onderworpenheid – voor Satan.
Een trouwe minister van zijn vervloekte koning gebruikt zijn intelligentie om het menselijk geslacht schade te berokkenen, Gods schepsel, en om zijn meester te dienen. Eindeloze en grenzeloze kracht wordt door hem gebruikt om de mens te overreden uit zichzelf Mijn teken uit te wissen, dat de geesten van de duisternis schrik aanjaagt. Als het eenmaal is verwijderd door de zonde, die de genade wegneemt, het lichtende chrisma op jullie wezen, dan kan het Beest naderen en de mens verleiden hem te aanbidden alsof hij een god was en hem te dienen in de misdaad (Apok. 13:5-8).
Als de mens zou nadenken aan welke onderworpenheid hij zich overgeeft met het aannemen van de zonde, zou hij niet zondigen. Maar de mens denkt niet na. Hij kijkt naar het moment en het plezier van het moment, en erger dan Ezau verkwanselt hij Gods Vaderschap voor een bord linzen (Gen. 25:29-34).
Maar Satan gebruikt niet alleen deze gewelddadige verleider van de mens. Ofschoon de mens in het algemeen weinig nadenkt, zijn er nog te veel mensen die, niet uit liefde maar uit vrees voor straf, geen zware zonden willen begaan. En dan verschijnt de andere satanische minister, het tweede Beest (Apok. 13: 11-18). Onder het mom van een lam heeft hij de geest van een draak.
Het is de tweede openbaring van Satan, en ze komt overeen met Gabriël, want hij kondigt het Beest aan en is zijn sterkste kracht, die ontmantelt zonder dat hij het schijnt te doen en overreedt met een zoet verzinsel dat het juist is de sporen van het Beest te volgen.
Het is nutteloos te spreken van politieke macht of macht van de aarde. Nee. Indien iets, dan kunnen jullie het eerste beest in relatie brengen met de naam menselijke Macht en het tweede beest met de menselijke wetenschap. En als de Macht uit zichzelf rebellie voortbrengt, de Wetenschap, als ze louter menselijk is, bederft zonder rebellie voort te brengen en leidt een oneindig aantal aanhangers tot verderf. Hoe velen zijn verloren gegaan door mentale hoogmoed, die hen het Geloof doet verachten en de ziel doodt, door de trots die van God scheidt! Want als Ik op de laatste dag de oogst van de aarde zal binnenhalen (Apok. 14: 14-16), is er al een maaier onder jullie. En het is deze geest van het Kwaad die jullie maait, en van jullie geen aren van eeuwig graan maakt, maar stro voor de verblijfplaatsen van Satan.
Een enkele wetenschap is noodzakelijk. Ik zal het duizendmaal herhalen: God kennen en Hem dienen, Hem herkennen in de dingen, Hem zien in de gebeurtenissen en Hem weten te onderscheiden van Zijn tegenstander, om niet in het verderf te storten. In plaats daarvan maken jullie je zorgen om het vermeerderen van het menselijk weten, ten nadele van het bovennatuurlijk weten.
Ik veroordeel de wetenschap niet. Het doet Mij integendeel genoegen dat de mens zijn kennis verdiept, die hij heeft opgehoopt om Mij steeds beter te kunnen begrijpen en bewonderen in Mijn werken. Daarom heb Ik jullie de intelligentie gegeven. Maar jullie moeten haar gebruiken om God te zien in de wet van de ster, in de vorming van de bloem, in de conceptie van het wezen, en niet de intelligentie gebruiken om het leven geweld aan te doen of de Schepper te loochenen.
Rationalisme, Humanisme, Schijnfilosofie, Theosofie, Naturalisme, Classicisme, Darwinisme, jullie hebben scholen en leerstellingen van allerlei soort en zijn in alle geïnteresseerd, ofschoon de Waarheid daarin zwaar verminkt is of onderdrukt. Alleen de school van het Christendom willen jullie niet volgen en doorgronden.
Natuurlijke weerstand overigens. In het doorgronden van de religieuze cultuur zouden jullie ofwel verplicht zijn de Wet te volgen, en dat willen jullie niet, of openlijk te bekennen dat jullie de Wet met voeten willen treden. En zelfs dat willen jullie niet doen. Om die reden willen jullie geen geleerden in de bovennatuurlijke wetenschap worden.
Maar arme dwazen! Wat zullen jullie doen met je kleine scholen en je kleine woorden als jullie Mijn examen moeten ondergaan? Jullie hebben het oneindige licht van de ware Wetenschap in jullie uitgedoofd en gemeend je ziel te verlichten met surrogaatlicht, zoals de arme dwazen die beweerden de zon uit te doven door van veel lantaarntjes een nieuwe zon te maken. Maar ook al verbergen de nevelen de zon, ze staat altijd aan Mijn firmament. Ook al scheppen jullie nevelen met jullie leerstellingen, die het Kennen van de Waarheid verbergen, Waarheid en Weten bestaan altijd, want ze komen van Mij, Die eeuwig ben.
Zoekt de ware Wijsheid, en jullie zullen de Wetenschap begrijpen zoals ze begrepen moet worden. Bevrijdt jullie ziel van alle kunstmatige superstructuren en verheft daarin het ware Geloof. Zoals de torenspitsen van een geestelijke Kathedraal, zullen Wetenschap, Wijsheid, Intellect, Sterkte, Nederigheid en Ingetogenheid daarop bloeien, want de echte wijze kent niet alleen het menselijk kenbare, maar hij weet wat het moeilijkst is: zichzelf te beheersen in de hartstochten van het vlees, en van zijn mindere deel een voetbank te maken om de ziel te verheffen en de geest op te werpen naar de Hemelen, Mij tegemoet, Die komt en in alles is, en Die graag de ware en heilige Meester is van Mijn broeders en zusters.”

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1943,

Nederigheid. Maria, ons voorbeeld

2 december 1943

Maria zegt:
“Je moet je niet te zeer laten ontmoedigen door te denken aan de tijd toen je mij weinig beminde. Je bent niet de enige. Maar ik ben de Mama en ik begrijp en vergeef. Het zijn de leemten van de nog onvolmaakten. Ik bemin niet minder omdat ik weinig word bemind. Het is voor mij voldoende dat jullie tenminste mijn Zoon beminnen, en jij hebt Hem zeer bemind toen je mij nog maar weinig beminde.
Als Moeder van God maak ik je attent op een feit in mijn leven, dat velen ontgaat en dat een zekere aanwijzing is ook over de toekomstige betrekkingen tussen mij en de door mijn Jezus verlosten.
Toen de herders naar de grot kwamen (Luc.2:8-20), hadden ze alleen maar oog en uitdrukkingen van liefde voor mijn Kindje. Josef en ik waren voor hen bijkomstige figuren. Aan de voet van de armzalige slaapplaats, waar Hij sliep wanneer Hij niet op mijn schoot sliep, legden zij hun gaven en hun tederheid neer. Het deed mij geen leed dat mij geen lof werd gebracht als aan de plant die aan de wereld de Bloem van de Hemel had gegeven. Voor mij was het voldoende dat ze mijn Kindje beminden, en het zozeer beminden. Er zouden er later zovelen zijn die Hem haatten!
Onder de aanwezigen bij de altijd weer nieuwe ritus van een opdracht in de Tempel (Luc. 2:22-28) had niemand een gedachte voor mij. Ze keken naar mijn Schat en prezen Hem om Zijn bovenmenselijke schoonheid. Maar aan Zijn Mama gaven ze slechts menselijke lof. Alleen de heiligen kenden mij als wat ik was, en Elisabeth, Simeon en Hanna zagen in mij de Moeder van de Verlosser en gaven mij de hoogste lof door hun herkenning. De eersten waren 'goed', de anderen waren 'heiligen'.
De Heilige Geest werkt in het hart van de heiligen en geeft hun licht van bovennatuurlijke herkenning. De Heilige Geest verlicht de harten van de heiligen om hen mij te doen zien. Mij te zien in het licht van God wil zeggen mij in waarheid te beminnen. Mijn allerheiligste Zoon werkt vanuit Zichzelf om jullie tot Zijn liefde aan te trekken. Ik bemin jullie en wacht, terwijl ik voor jullie bid.
Ik ben de Maagd van de verwachting. Vanaf mijn prilste jeugd heb ik de door de mensen Verwachte verwacht. Ik ben de Medeverlosseres, die het stervensuur aan de voet van het kruis afwachtte om jullie het Leven te geven. Ik ben de Moeder die op jullie ware liefde wacht, niet de oppervlakkige eredienst die zich beperkt tot veel woorden. Bidden wil niet zeggen: veel gebeden zeggen. Het wil zeggen: het eigen hart te laten spreken.
Ik ben de Zwijgzame; de nieuwe Eva; ik leer jullie het zwijgen. Door het spreken kwam de Verleiding in Eva binnen. Door mijn zwijgen kwam de Verlossing in de wereld. Leert van mij de deugd van het zwijgen, want in het uiterlijke zwijgen spreekt het hart tot God en God tot het hart. Mijn zwijgen was geen inert zwijgen van een dode ziel. Het was integendeel een zeer actief werken in het geestelijke.
Toen mijn Kindje op mijn armen was, heb ik voor Hem, Die niet spreken kon omdat Hij nog maar een baby was die alleen kon schreien – mijn Zoon God, de Stem van de Vader, het Woord van de Vader, Dat Zich uit liefde had vernietigd tot een schreiend Kind met de stem van een lammetje – heb ik voor Hem het offer aan de Vader aangeboden. Het eerste 'Onze Vader' heb ik gezegd in de koude grot van Bethlehem, mijn Lam op de armen omhooghoudend, dat naar de wereld was gekomen om te worden gedood en om het leven te geven aan de in de ziel gedode mensen. Het 'Uw wil geschiede' heb ik als eerste schreiend uitgesproken. En weet je wat het wil zeggen voor de Mama om die woorden tot de Eeuwige te zeggen?
Nu, als ik zie dat uit liefde voor mijn Zoon een schepsel de wil van God vervult, die bovenal een liefdevolle wil is, vernietig ik zijn schuld tegenover mij en vermeerder ik mijn liefde voor hem. Jezus brengt hem dan bij mij. Ik laat aan mijn Jezus de zorg over om hem mij te doen beminnen. Waar Hij is, is ook de Geest van God. En waar de Geest is, is Kennis en Licht. Het is daarom onvermijdelijk dat jullie ook worden onderricht in de liefde voor mij.
Als jullie er dan in slagen mij in waarheid te beminnen, dan kom ik. En mijn komst betekent altijd vreugde en redding.”

3 december 1943
Jezus zegt:
“Mijn moeder heeft je gesproken over de schaduw die Haar als Moeder van God heeft omhuld. Dat is niet in tegenspraak met Mijn spreken van enkele dagen geleden (27 en 28 november).
Zoals iedereen al iets speciaals opmerkte aan dat tweetal, dat in armoede passeerde over de overvolle wegen, iets als een licht en een geur, toch verlichtte dat niet hun blindheid en doorbrak het niet de doofheid van geest. Het was een waarnemen als van iemand die het schijnen van de zon op het verbonden hoofd meer voelt dan ziet, en die een ver rumoer hoort dat nauwelijks het trommelvlies bereikt als een zuchtje wind, gebroken door een geluid dat zo zacht is dat het geen woord meer is.
Mijn Moeder heeft zich de 'Zwijgzame' genoemd. Veel kenmerken zouden aan Haar litanie kunnen worden toegevoegd, en over deze kenmerken zou veel te mediteren zijn. Zij was en is de zwijgzame Maagd, de lichtende Maagd en de Moeder van het Licht.
Met uiterste tegenzin heeft zij enkele sluiers opgelicht voor Mijn evangelisten, maar uitsluitend die sluiers die Zij in Haar bovennatuurlijke kennis nuttig oordeelde in Mijn belang. Voor wat haar betreft, absoluut zwijgen. Zij bewaarde alles in Haar hart, zoals door Lucas is gezegd (Luc. 2:19,51), en uit Haar hart haalt Zij voor Haar meest beminden herinneringen en parels als uit een schatkist.
Dat het volk niet zou weten te begrijpen, hoewel ze door het voorbijgaan van Mijn Moeder werden geheiligd, moet dus niet verbazen. Zij waren, zoals Zij heeft gezegd, geen heiligen. Min of meer goed, was God ver van hun hart verwijderd, en waar God niet is, is geen licht.
Het moet ook niet verbazen, dat God de gezegende heeft beschermd onder de sluier van een schijnbaar gewoon leven. God bemint niet hetgeen de mensen beminnen: de vereringen, en nog minder de menselijke zelfverheerlijking. Hij bedekt Zich met terughouding en omhult daarin Zijn beminden. De wereld is een ontheiligster en Satan is sluwer naarmate hij meer overwonnen wordt. God beschermt Zijn meest dierbaren, en Zichzelf in hen, tegen de kwijlende nieuwsgierigheid en vergiftigde valstrikken, want Hij omgeeft Zijn instrumenten met grote zorg, omdat Hij wil dat ze hun zending vervullen. Hij maakt alleen aan de 'heiligen' de verborgen waarheid bekend.
Dat Maria na Mijn geboorte nog meer een gewone vrouw scheen te zijn, een jonge moeder en verder niets, moet ook niet verbazen. Als een monstrans waaruit de allerheiligste Hostie was genomen, was Zij nu de Geheel Heilige voor Zichzelf, want Ze droeg de Heilige der Heiligen niet meer. En als men bedenkt dat de Heilige der Heiligen, precies in het uur waarin Hij met eeuwige soevereiniteit de Aarde bevrijdde met haar levenden, haar overledenen, haar toekomstige bewoners, in de ogen verscheen als een misdadiger, gemarteld voor zijn misdaden, is het ook logisch dat de Moeder, vanaf het moment waarop ze de Medeverlosseres werd en dus bevrijdster van de Aarde, zou verschijnen als een arme, eenvoudige vrouw.
De lichtvolle tijd van Mijn vorming in Haar was voorbij, en de schittering van de vreugde, die in de nacht het hart van Maria, de grot en de Hemelen had vervuld, ebde weg bij de morgenstond waar in de zon van de Verlossing begon op te komen, de door bloed gekleurde zon, samengesteld uit oneindig lijden. Het morgenrood vond Maria al ondergedompeld in de gedachte van de toekomstige kwelling. Het offer was al gebracht in Mijn Naam, en de twee meest christelijke zinnen van de aarde waren al met elkaar verbonden en vormden de keten om de Boze te worgen: 'Zie de Dienstmaagd des Heren' en 'Heer, Uw wil geschiede'.
De heilige, gezegende lippen van mijn Moeder, die aan Mijn nietigheid van kind de maagdelijke klank leenden van de volmaakte woorden! Over haar heldhaftige 'ja', herhaald tot het moederschap Haar dubbel heldhaftig maakte, boog zich de Hemel en vereerde in Haar de Martelares-Verlosseres. Als een halsketting waaraan elke dag een parel wordt toegevoegd, begonnen Maria's dagen van lijden. Aan het einde was Golgotha.

Het is voor dit langdurige lijden dat Ik jullie zeg: 'Bemint Haar'. Ik zegen jullie als jullie Mij beminnen. Maar voor de liefde die jullie Mijn Moeder geven, bereid Ik jullie een schitterender woning in de Hemel.”

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1943,
blz. 522 uitg. St. Maria Valtorta
De kerkelijke erkenning van deze geschriften is omstreden

De parabel van de grootinquisiteur

16 oktober 2017
door Wolfram Schrems, Mag. Theol., Mag. filos. Wenen, ondertekenaar Correctio filialis

De foto van paus Franciscus die op 2 oktober met zorgvuldig geselecteerde, en dus bevoorrechte, “misdeelden en migranten” in de hoofdkerk van Bologna zat te eten, werd door de massamedia ruim verspreid. De paus stuurt als gastheer van een banket dat in een kerk wordt aangericht (halal zoals men ergens kon lezen) een duidelijke boodschap uit. Deze boodschap zal men tegen de achtergrond van de uiterst nonchalante behandeling van de eucharistie kunnen zien als de voorrang geven aan het aardse brood boven het hemelse. Tegelijkertijd doet de paus nog iets anders dat in dezelfde richting wijst: hij bevrijdt de mensen op bepaalde wijze van hun zonden. Hij zegt tegen hen: God staat de gelovigen het begaan van zonden toe, kan het zelfs vragen (Amoris Laetitia, 303). Dit begaan van zonden is volgens de paus weliswaar geen “ideaal” maar toch het best mogelijke. Zo bestaat er eigenlijk geen zonde meer, niets meer wat in zich slecht is en altijd vermeden moet worden.  De combinatie van beide boodschappen, namelijk de voorrang van het brood op het geloof en de afschaffing van de zonde, herinnert aan de profetische boodschap uit de 19de eeuw. De titel hiervan is erg bekend maar de inhoud jammer genoeg minder. Het gaat om de Parabel van de Grootinquisiteur van Dostojewski in de roman De gebroeders Karamazov.

De afvalligen onder de kerkelijke ambtsdragers en de bekoorder

De kerngedachte van de – tamelijk vreemde en moeilijk te interpreteren – parabel is: de grootinquisiteur zegt tegen Christus die in de 15de eeuw naar Sevilla is teruggekeerd dat de mens te zwak is voor diens boodschap. Volgens hem hebben zij niet de geestelijke kracht om uit zuivere liefde voor Christus te kiezen. Christus wilde de gelovigen “trots” en “sterk” maken maar slechts zeer weinigen bereiken dat. Daarom heeft de grootinquisiteur met zijn bondgenoten de voorstellen aanvaard van de “vreselijke en verstandige geest, de geest van de zelfvernietiging en het niet-zijn, die door Jezus in de woestijn afgewezen was: “Want in deze drie vragen (de bekoringen van Christus) is als het ware de hele verdere geschiedenis van het menselijk geslacht samengevat en voorspeld.”  De grootinquisiteur legt nu uit dat men de mensen brood en spelen moet geven om hen aan je te binden. Tot dit doel moet men van hen afnemen wat zij bezitten, en een herverdeling doorvoeren. Maar vooral moet men de mensen het verlof geven te zondigen want zij zijn te zwak om de zonde te vermijden en het verlof zal op zijn beurt het vertrouwen sterken in de machthebbers, die dit verlof geven. Men moet de mensen de vrijheid ontnemen om hen de “vrijheid” tot zonde te geven. Want de echte vrijheid is een te grote last. Die vraagt immers een keuze voor het goede. De mensen moeten echter allereerst verzadigd zijn: “Weet u wel dat na verloop van eeuwen de mensheid door de mond van wijzen en geleerden zal verkondigen: er is helemaal geen misdaad meer en bijgevolg geen zonde maar er zijn alleen nog hongerige mensen? Geef ze voldoende te eten en dan pas verlang ik deugd van hen! Dat zullen ze op het banier schrijven dat ze tegen U zullen verheffen”. Bert Brecht zou het in de 20ste eeuw zo formuleren: “eerst komt het vreten, dan de moraal” (Die Dreigroschenoper).

Als men naar de leer van paus kijkt en naar zijn manier van doen: is dat dan niet precies het programma geworden? Uit “barmhartigheid” en “mensvriendelijkheid” van de paus die de “starren” aanvalt. Tenslotte is er ook de behoefte van alle mensen aan vrede en eenheid. Wat de torenbouw van Babel nog niet klaar gekregen heeft, willen de grootinquisiteur en zijn bondgenoten voltooien: “[Want] de behoefte aan een eenwording die de hele wereld omspant, is de derde en laatste nood van de mensen. Steeds heeft de mensheid in haar geheel ernaar gestreefd zich in alle omstandigheden universeel te ontwikkelen”. Paus Franciscus heeft zoals bekend sterke interesse in de internationale macht, in de protagonisten van een “nieuwe wereldorde” en hij heeft een grote afkeer van patriottische politici.
Op het eind stuurt de groot inquisiteur Christus weg en zegt tegen Hem dat hij maar nooit meer terug moet komen en niet meer moet komen storen. Tot zover de parabel. Omdat het Iwan Dostojewski is die zijn jongere broer Aljoscha de parabel verteld, is het niet helemaal duidelijk waar Dostojewski zelf staat. Want Iwan is heel duidelijk niet de hoofdpersoon van de roman noch een morele autoriteit. De parabel is ook verward en geeft het geloof van de Kerk verkeerd weer. Hoe het ook zij: Dostojweskj zag iets wat hem ongerust maakte. Hij heeft de mechanismes van de totale staat vooruit gezien; van de staat die zich aan geen enkele waarheid geboden voelt en die een hermetisch van de waarheid afgesloten dictatuur, eventueel in religieus gewaad, wil vestigen. Ongeveer 70 jaar vóór Orwell profeteerde Dostojewski de totale verzorgingsstaat, die zich loskoppelt van Gods geboden, die de vrijheid afschaft en een nachtmerrie blijkt te zijn. Daarbij worden christelijke begrippen gebruikt, misschien waren er zelfs afgevallen kerkelijke functionarissen bij betrokken.

De totale verzorgingsstaat en ongemerkte onvrijheid

Het communisme realiseerde aanvankelijk wat Dostojewski had voorzien: de onteigening, de herverdeling, het totale gezag van de staat, het (voorlopig) verlof tot zonde in het privé domein (gemakkelijke echtscheiding, tweede huwelijk, abortus).  Ten gevolge van het ontstaan van het cultuurmarxisme in het Westen (“de dwalingen van Rusland”) gaat deze strategie door: hoge belastingen, herverdeling, staatsingrijpen, seksuele revolutie, “de vrije liefde”. Wat daarbij verloren gaat is de innerlijke vrijheid. Maar bijna niemand lijkt het te merken. Ze zitten te diep in het systeem. Af en toe heeft men weliswaar nog last van zijn geweten, maar de staat helpt hen bij hun ”Flucht vor Gott” (naar het profetisch boek van Max Picard, 1934). Op grond van succesvolle subversieve praktijken zijn deze waanideeën ook in de Kerk doorgedrongen. Dat is weliswaar alle enkele decennia geleden maar is door de politiek van de huidige paus nu helemaal in het licht van de openbaarheid gekomen. Het verlangen naar de totale verzorgingsstaat onder gelijktijdige afschaffing of zoveel mogelijk terugdringen van het privé-eigendom is binnen de Kerk bijvoorbeeld al lang aanwezig. In plaats daarvan propageert men in een bepaald deel van het Duitse katholicisme een “onvoorwaardelijk basisinkomen”. Is het niet zo dat in de utopische staat van Orwell een groot deel van de bevolking niet werkt en door het werkende deel van de bevolking wordt onderhouden? Overigens bestaat er nog een basisinkomen zonder arbeid en dat is immoreel, namelijk woeker, het leven van rente. Want dat betekent dat men anderen voor zich laat werken.

Een veroordeling van deze bronnen van inkomsten door de huidige paus heb ik nooit gehoord. Maar wat we wel gehoord hebben: paus Franciscus gaf, zoals hierboven al aangegeven, in Amoris Laetitia 303 een verlof tot zonde. Nu heeft de ketterij van de loochening van intrinsece malum (de in zich slechte daad die men nooit mag stellen) ook het pausdom bereikt. Decennia lang is dat – tegen Humanae vitae (1968) en Veritatis Splendor(1993) in de academische theologie voorbereid waarbij zeker ook de jezuïeten baanbrekend werk hebben verricht. Een jezuïet als paus brengt het nu binnen in een – hoe slecht of goed ook gedefinieerd – leergezag. Hij staat de mensen de zonde toe, minstens in het kleine , in het zogenaamde privé-domein. Hij blijft hier staan bij echtbreuk. Hij staat geen volkenmoord toe, geen bouwen van vernietigingskampen, geen atoomoorlog. Maar Jozef Seifert heeft erop gewezen, dat er, wanneer eenmaal een in zich slechte handeling geoorloofd is, geen reden is om ook niet alle andere toe te staan.

De strijd van paus Franciscus tegen het “pelagianisme” – een kwalijke verdenking.

In deze context krijgt plotseling de herhaalde waarschuwing van de paus voor “pelagianisme” een heel nieuwe betekenis. Men kreeg steeds de indruk dat paus Franciscus te weinig geleerd was om deze uitdrukking op de juiste manier te gebruiken. Tegen de achtergrond van Amoris Laetitia en de andere pauselijke documenten komt een veel erger verdenking op: wilde de paus de gelovigen misschien zeggen dat ze hoe dan ook niet volgens Gods geboden kunnen leven en dat ze het daarom zelfs niet moeten proberen? Met andere woorden: was het zijn bedoeling het vermogen van de gelovigen om te kiezen voor het goede te ondermijnen met een verwijzing naar de dwaalleer van Pelagius (+ rond 418)? Diens leer wordt meestal zo beschreven: volgens hem kan de mens zonder Gods genade het eeuwige leven bereiken. Dat is niet juist. Maar daarom is het tegendeel ervan nog niet juist. Dat beweert dat mens niet tot zijn heil kan of moet bijdragen. Juist de stichter van de orde van de paus, de heilige Ignatius, spoort in zijn Geestelijke Oefeningen aan om niet zomaar doch behoedzaam de vragen van genade en predestinatie aan de orde te stellen. Want het beroep op de genade kan de eigen inspanning verlammen en het fatalisme in de kaart spelen. En wie zich niet meer inspant, gaat achteruit. Dan begint de verveling en het verlies van zelfrespect. Een gezond christelijk zelfbewustzijn is echter voor de vormgeving van je leven van groot belang. Dat biedt ook gemakkelijker weerstand aan de druk van de wereld en de totale staat. Wat de socialistisch gerichte verzorgingsstaat betreft, daarover heeft Franciscus – zoals zo dikwijls – niet concreets naar voren gebracht. Maar zijn verbondenheid met communistische leiders en ideologen toont een sterke neiging in die richting.

Samenvatting

Zus of zo: Dostojewski had het over een afval van de Roomse Kerk, die – in haar menselijk element – ondertussen ongetwijfeld is begonnen: een paus stelt zich op als een wereldse verlosser,  inclusief brood, spelen en de bevrijding van een slecht geweten. Het eten in de kerk van San Petronio geeft dat haarscherp weer. Wat zijn bedoelingen zijn en wat zijn gewetenstoestand is, kunnen we niet zeggen. De correctio filialis doet daar dan ook geen enkele uitspraak over.

Maar hoe dan ook: de analogie met de grootinquisiteur is beklemmend. Dat die 100 jaar na Fatima zo duidelijk wordt, is betekenisvol. Hoogstwaarschijnlijk gaat hier dat deel van het derde geheim in vervulling waarover we vanwege de doofpotstrategie van het Vaticaan in de laatste decennia nog steeds alleen maar kunnen speculeren.

Vertaling uit het Duits: C. Mennen pr

zondag 5 november 2017

Is Reusel symptomatisch?

Pastoor C. Mennen

Al eerder heb ik geschreven dat de luidruchtigen in onze parochies meestal niet de trouwste parochianen zijn. Wil een priester na jarenlange scheefgroei in een parochie de liturgie weer een beetje in het katholieke gareel brengen, dan stoot hij geheid op massieve tegenstand van de “officials” in de parochie. Hij kan proberen uit te leggen wat hij wil, hij kan kerkelijke documenten van allerlei aard citeren, het zal niet helpen. Want het enige argument van de “officials” is: “wij zijn het hier anders gewend” en “u jaagt de mensen de kerk uit”. De krant wordt ingeschakeld en die is altijd automatisch op de hand van de “officials”, bestempelt steevast de pastoor als “aartsconservatief” en de “officials” als slachtoffers en dat gebeurt allemaal op zodanige wijze dat de meeste mensen die de pastoor niet van nabij kennen besmet worden met anti-pastoor-virus en dat is ook de bedoeling van de “officials”. Iedereen wordt aangemoedigd ingezonden stukken in de krant en liever nog brieven aan de bisschop te schrijven. Tussen twee haakjes: weet u wat voor mensen die officials meestal zijn? Zij worden gekenmerkt door een lage kerkbetrokkenheid, dat wil zeggen: de wekelijkse eucharistie is voor hen niet zo van belang , laat staan vroomheidsoefeningen zoals aanbidding en rozenkransgebed. Ze vinden dat laatste maar rare voorbije hobby’s van de (nieuwe) pastoor. Ze houden vooral van “iets doen”. Ze zijn in de kerk als ze woord-en-communiediensten kunnen leiden, als ze lector zijn, als ze meewerken aan de voorbereidende vieringen van de eerste communie, of als het koor waarvan ze lid zijn (het is zo gezellig) moet zingen (niet wat de pastoor vindt, geen psalmen, nee, daar houden wij niet van).

We hebben de laatste twintig, dertig jaar in ons bisdom nogal eens van die voorvallen in parochies gehad. Dat had enerzijds te maken met een liturgisch verziekte situatie die pastoors in de zeventiger en tachtiger jaren in hun parochies hadden laten ontstaan en anderzijds met een nieuwe lichting jonge priesters die op het St.-Janscentrum opgeleid was in de juiste postconciliaire liturgie met een afschuw voor alle misbruiken die afbreuk doen aan de waarachtige eredienst. Deze priesters werden door de bisschoppen ter Schure en Hurkmans gesteund. Deze bisschoppen stonden achter de priesters van wie ze wisten dat ze hen in kerkelijke zin konden vertrouwen. Soms was die steun niet stevig genoeg, maar toch… Na lange jaren van hoop op verbetering werden soms ook knopen doorgehakt zoals bij de San Salvator in Orthen die totaal van de katholieke Kerk was weggedreven. Na eindeloos overleg in Best werd niet gezwicht voor de eigenzinnigheid van een pastoor en een diaken die de zelfstandigheid van de parochie duidelijk misbruikten als voorwendsel voor heterodoxe opvattingen.

Die tijd lijkt in ons bisdom voorbij. Met de nieuwe bisschop zijn we aanbeland in de tijd van “verbinding” en van “bruggen bouwen” en dat betekent vooral geen tegenstellingen. En wie krijgen dan automatisch gelijk, naar wie wordt het meest geluisterd? Naar de schreeuwers! Want als die stil en tevreden zijn, is alles weer rustig. Die brave parochianen: die zijn per definitie rustig. Van hen heeft een bisschop geen last. En de betrokken priester staat in de kou, raakt gefrustreerd en zoekt als hij kan een veilig heenkomen. En andere priesters kijken wel uit voor ze de confrontatie aangaan, doen compromissen waarin ze eigenlijk niet geloven en wachten cynisch op hun pensioen ….

Pastoor Karel van Roosmalen gaat met pensioen. Het mag zijn dat hij bepaalde praktische dingen niet altijd even tactisch aanpakt en misschien soms zelfs bot is maar zijn misbezoek is, gezien de ernst der tijden, niet slecht. Er zijn geen klachten over zijn sacramentele en priesterlijke bediening. De leider van de oppositie die de mensen voor de demonstratie tegen de pastoor heeft opgetrommeld en nu de vlag uitsteekt, is er trots op dat hij nooit in de kerk komt. Hij spektakelt, de bisschop erkent dat er geen gronden zijn om in te grijpen maar de pastoor voelt zich toch inhoudelijk zo weinig door de bisschop gesteund dat hij ontslag neemt en kerngezond met pensioen gaat. En wie zijn de dupe? Niet de organisator van de rellen, niet de meelopers. Die hebben waarschijnlijk geen pastoor nodig. Die zoeken wel iemand die iets in de kerk voor hen doet, als het een keer nodig is. De dupe zijn de trouwe kerkgangers, de brave katholieken die binnenkort geen eucharistie meer hebben op zondag. Voor hen is dat met een woord- en communiedienst niet op te lossen.

En wat gebeurt er in parochies waar er misbruiken zijn in de liturgie, waar de pastoors “uitvaarten op maat” aanbieden tegen de geest en de regels van de liturgie in, waar de mensen in het parochieblad met regelrechte ketterijen geconfronteerd worden? Niets, want mensen, die zich hierdoor geschoffeerd voelen, klagen niet in krant en zouden daar trouwens weinig gehoor vinden. En daarom doet het bisdom niets. Rust betekent namelijk verbinding, denkt men daar.

En de bisschop….. Hij wordt in de kranten geprezen om zijn “begrip” en “pastorale” aanpak.


18 oktober 2017
Feest van de H. Lucas, evangelist

Klimaat van angst: de nieuwe harde aanpak van katholieke theologen

door Dan Hitchens in Catholic Herald
12 oktober 2017

Academici en clerici vrezen gestraft te worden omdat ze zich  uitgesproken hebben over Amoris Laetitia

Orthodoxe katholieken worden geconfronteerd met “vervolging” – en niet door secularisten maar door hun medegelovigen. Dat is de opzienbarende bewering die prof. Josef Seifert afgelopen week deed, de filosoof en de vriend van de heilige Johannes Paulus II. Zijn opmerkingen vormen een echo van enkele recente commentaren van kardinaal Gerhard Müller die zei tegen de National Catholic Register dat curieleden in het Vaticaan en universiteitsdocenten “in grote angst leven”. En Seifert en  kardinaal Müller zeggen alleen openlijk wat velen privé zeggen. Bij onderzoek voor dit artikel heb ik het gehoord van priesters en academici op vier continenten, die, zo gauw ik het onderwerp van intimidatie ter sprake bracht, meteen om anonimiteit vroegen. Sommigen verwezen naar het feit dat ze kun kost moesten verdienen of hun gezin moesten onderhouden. Eén professor spotte: “” Ik ben niet klaar voor het witte martelaarschap”- een theologische term voor de aanvaarding van een groot (niet dodelijk) lijden omwille van het geloof.

Zoals het vaak is met intimidatie, de precieze misdaad is moeilijk aan te wijzen. Het heeft te maken met die kwesties die zoveel onrust in de Kerk veroorzaakt hebben. De kerk heeft altijd geleerd dat iemand ernstige zonden moet biechten voordat hij de communie ontvangt, en dat wanneer de zonde publiek is – bijvoorbeeld bij scheiden en hertrouwen – de priester de communie moet weigeren. Deze leer is de laatste jaren aangevochten waarbij beide kanten de steun van paus Franciscus claimen; en onvermijdelijk heeft dit debat tot verdere vragen geleid: is echtbreuk altijd een zware zonde? Kun je algemene uitspraken doen over zonde? Enzovoorts. Het geval van Seifert laat zien hoe serieus het debat geworden is. Slechts twee jaar geleden was de relatie van Seifert met zijn plaatselijke aartsbisschop, Javier Martínez van Granada, er één van wederzijdse bewondering. Seifert was onder de indruk van het energieke leiderschap van aartsbisschop Martínez. De aartsbisschop benoemde Seifert op een speciaal gecreëerde leerstoel aan de Internationale Academie voor Filosofie van Granada. Alles veranderde in april 2016 met de publicatie van de apostolische exhortatie Amoris Laetitia van paus Franciscus. De mening van Seifert is, dat de tekst al ”bevat hij veel mooie gedachten en diepe waarheden”, ook mogelijkerwijs gevaarlijk is. Er staat bijvoorbeeld een dubbelzinnige zin in waarin wordt gesuggereerd dat het geweten kan uitmaken “wat nu het meest edelmoedige antwoord is”, en dat “God zelf vraagt” om dit antwoord. Eén mogelijke implicatie is dat God iemand zou kunnen vragen door te gaan met echtbreuk plegen omdat het “edelmoediger antwoord” van ermee ophouden onmogelijk is. Seifert schreef een artikel voor het blad Aemat waarin hij zei dat deze implicatie zo gevaarlijk was dat hij hoopte dat de paus dit zou uitsluiten. Zijn punt was niet dat de paus het fout had, maar dat de zin verheldering behoefde. Daarvoor werd hij, zo zegt hij, door aartsbisschop Martínez ontslagen. Seifert zegt dat de aartsbisschop hem dit niet direct gezegd heeft: hij kreeg er weet van door een paar aanwijzingen en via een publieke verklaring waarin de aartsbisschop zei dat Seifert “het geloof en de gelovigen in verwarring had gebracht”. Seifert onderneemt juridische stappen tegen dit oneerlijke ontslag (Het aartsbisdom heeft tot op heden niet geantwoord op een verzoek om commentaar). Seifert is niet het enige voorbeeld van een academicus die botst met de plaatselijke hiërarchie. Eén academicus in de Verenigde Staten, die zijn naam niet genoemd wil hebben, is dwars gezeten door zijn bisschop vanwege zijn kritiek op Amoris Laetitia.  Hij vreest dat deze ervaring zich zal herhalen in openlijke of subtiele vormen van dwang, een ernstige beperking van vrije meningsuiting en een hernieuwde poging orthodoxe katholieken te marginaliseren.

Amoris Laetitia lijkt een keerpunt te zijn geweest. De tekst is hoogst dubbelzinnig en verschillende lezers komen tot heel verschillende interpretaties. Zoals literaire critici eeuwenlang hebben gedebatteerd over de motieven van Iago en de aarzeling van Hamlet, zo kunnen we een scala van betekenissen vinden in Amoris Laetitia – en net zoals Shakespeare blijft zwijgen, lijkt de paus tevreden dat de discussie doorgaat. Dit is misschien een deel geweest van een nieuw tijdperk van ongebreideld debat – iets wat de paus leek aan te geven bij het begin van de gezinssynode in 2014 toen hij zei tegen de kardinalen: “Er is algemene basisvoorwaarde: eerlijk spreken. Niemand mag zeggen: ‘Ik kan dit niet zeggen, omdat ze dit of dat van me vinden’.” Maar de verklaringen van de paus hebben in plaats daarvan een gezagsvacuüm gecreëerd waarin zich figuren met hun eigen agenda’s hebben begeven. Zo is het verhaal van het debat in de Kerk sinds Amoris Laetitia een verhaal geweest van de mond snoeren en maatregelen. Vier maanden nadat de exhortatie was gepubliceerd, tekenden 45 priesters en theologen een brief aan het college van kardinalen. Het document noemde sommige van de wildere interpretaties van Amoris Laetitia – die duidelijk tegen de kerkelijke leer zijn – en doen het voorstel dat de paus deze wijze van lezen zou veroordelen. Het document beschuldigde niet de paus van het verspreiden van dwalingen; het was in feite niet eens aan de paus gericht maar vroeg de kardinalen te overwegen een verzoek aan de paus te doen. Maar toen de brief uitgelekt was, kregen sommigen van de ondertekenaars te maken met  druk. Eén van hen, de cisterciënzer monnik, pater Edmund Waldstein, trok zijn handtekening terug op verzoek van zijn abt. Een andere priester kreeg bezoek van zijn bisschop en ontving een uitbrander. Een derde ondertekenaar werd gedegradeerd van een leidende positie aan zijn universiteit; een ander ondervond dat het werk als docent en schrijver op droogde, en kon ternauwernood vermijden dat hij zijn hoofdbaan verloor. (Deze laatste drie kunnen om voor de hand liggende redenen niet met name genoemd worden).

Terwijl dit gaande is, leven veel leden van de Vaticaans curie in vrees voor hun baan. Kardinaal Gerhard Müller, die tot dit jaar de hoogste functionaris in zake geloofsleer was, zegt mij dat het “een natuurlijke reactie is op slecht gecommuniceerde en ongerechtvaardigde ontslagen van competente medewerkers”. Tijdens de ambtsperiode van de kardinaal werden drie medewerkers aan de Congregatie voor de Geloofsleer zonder zijn instemming ontslagen. Velen die permanent of tijdelijk rond het Vaticaan hebben verbleven, spreken van een sfeer van angst. Anna Silvas, die doceert aan de Universiteit van New Engeland, was in april in Rome voor een conferentie waarop mogelijke gevaren van Amoris Laetitia ter sprake kwamen. De avond voor de conferentie begon, waren vijf van de sprekers in een restaurant toen een jonge priester naar hun tafel kwam. Hij zegende de maaltijd en de academici die aanwezig waren, zwegen stil. “De boodschap die ik van hem kreeg,” herinnert zich Silvas, “was dit: ‘Er staan een heleboel priesters en bisschoppen achter dit alles maar in het geheim. Zij zijn sterk geïnteresseerd in wat u te zeggen hebt. Maar zij kunnen zich niet vertonen op de conferentie want hun identiteit zou kunnen worden genoteerd, namen worden opgenomen. Er zouden .... repercussies kunnen zijn’.” De priester voegde eraan toe: “Dat jullie leken academici moedig genoeg bent om uw stem te verheffen over de huidige situatie, is een teken van predilectie”, dat is van goddelijke welwillendheid.

Op verzoek had Silvas, binnen een maand na de publicatie, Amoris Laetitia serieus bestudeerd. Haar (kritische) artikel bereikte uiteindelijk een wereldwijd gehoor. Onlangs hoorde zij van een bisschop – zij geeft er de voorkeur niet zeggen uit welk land – die haar zei dat hij toen hij haar artikel las, erg boos was. “Maar, zei hij, met al wat sindsdien gebeurd is, beschouwt hij al wat ik gezegd heb, als absoluut waar. Hij had ook aan den lijve de giftige sfeer van intimidatie ervaren. Ik vroeg hem: ‘Waarom zwijgen de bisschoppen? Dat is voor ons, gelovige leken, een schandaal.’ ‘Maar natuurlijk’, zei hij, ‘zijn we allemaal bang’.”

Het klimaat is nog verslechterd na de publicatie van de dubia vorig jaar waarin vier kardinalen (twee van hen zijn sindsdien gestorven) paus Franciscus hebben gevraag of hij de traditionele leer rond communie en zedenwet opnieuw wilde bevestigen. Er kwam geen antwoord en de supporters van de paus beschuldigden de kardinalen van gebrek aan loyaliteit.

Bisschop René Henry Gracida, een Amerikaans emeritus bisschop, gelooft dat het ontslag van kardinaal Müller en van kardinaal Raymon Burke  - die beiden de traditionele leer verkondigden – ander prelaten zo bang hebben gemaakt dat ze niets meer zeggen. “Waarom zwijgen zij?” vraagt hij zich af. “Er lijkt geen andere verklaring voor te zijn dan dat zij niet de vernedering willen ondergaan die de kardinalen Burke en Müller e.a. hebben ervaren. En die bisschoppen die streven naar de rode kardinaalshoed, willen hun kansen daarop niet in gevaar brengen.”

Bisschop Gracida merkt op dat carrièrisme iets is waarvoor de paus zelf dikwijls heeft gewaarschuwd; dat deed ook Jezus als hij Jacobus en Johannes eraan herinnert dat het kruis, niet aardse roem, de weg is van de leerling van Jezus. “Door heel de kerkgeschiedenis heen zijn mensen verleid ambitie te koesteren voor promotie, carrièrisme. Zij werpen een donkere schaduw over hun dienstwerk,” zegt de bisschop. Bisschop Gracida heeft de recente correctio filialis getekend samen met meer dan 200 academici en pastores. De “correctie” stelde dat de handelingen van de paus ertoe zouden kunnen leiden dat er ketterijen verspreid worden. Bijvoorbeeld, afgelopen jaar hebben de twee bisschoppen van Malta een document uitgegeven waarin ze zeggen dat echtbreuk (overspel) onvermijdelijk kan zijn. Dit werd in de eigen krant van het Vaticaan gepubliceerd en de paus feliciteerde de Maltezer bisschoppen met de tekst. De “correctie” wijst erop dat dit soort stappen ertoe hebben bijgedragen dat er verwarring ontstaat rond de katholieke leer.

Claudio Pierantoni, een filosofieprofessor aan de Universiteit van Chili, zei tegen lifesitenews.com dat hij tien collega’s had gevraagd met hem de “correctie” te ondertekenen. Zeven, zegt hij, deelden hem mee dat ze dit graag zouden willen maar te bang waren. Rev. Ray Blake, een Engelse priester, blogde dat “lafheid” hem weerhouden had: “Ik geef het toe, ik ben bang te tekenen en ik ken meer priesters die mijn vrees delen.”

Rev. Cor Mennen die docent is aan het grootseminarie van het bisdom ’s-Hertogenbosch in Nederland, schreef op zijn blog: “Er zijn veel priesters die het eens zijn met de correctie maar zich om diverse redenen gedeisd houden. Er is een sfeer van angst , en “ballingschap” ligt altijd op de loer.” Ik vraag rev. Mennen hoe velen het ermee eens zijn. Zijn antwoord verrast me: “Ik denk dat de meeste Nederlandse bisschoppen voor de correctio filialis zijn, evenals veel priesters – zeker de meeste jongere – maar mensen zijn bang van Rome, bang voor hun posities.”

Sommigen zullen op dit alles antwoorden met een schouderophalen. Is dit niet de keerzijde van wat gebeurde met bepaalde progressieve theologen onder Johannes Paulus II en Benedictus XVI? En er is een risico dat je door deze verhalen te vertellen de indruk wekt dat mensen als Josef Seifert gelijk hebben simpelweg omdat zij vervolgd worden. Niets is minder vervelend in het huidige debat dan de strijd te winnen door het martelaarschap te claimen.

Dit gezegd zijnde moeten we constateren dat er belangrijke verschillen zijn tussen vandaag en gisteren. Zoals Michael Sirilla van de Franciscaanse Universiteit van Steubenville vaststelt: “In de nasleep van Humanae Vitae verwierpen veel priesters en theologen, die bang waren voor represailles, de traditionele leer van de Kerk rond de intrinsieke immoraliteit van contraceptieve handelingen. Nu echter bestaat er vrees aan de kant van die priesters en theologen die zonder voorbehoud vasthouden aan de traditionele leer van de Kerk betreffende immoraliteit van echtscheiding en nieuw huwelijk en betreffende de voorwaarden voor het waardig ontvangen van het boetesacrament en de eucharistie. Velen van hen maken zich zorgen dat hun plaatselijke ordinaris hun mandatum (de goedkeuring van de bisschop om te doceren)  of hun priesterlijke bevoegdheden zou kunnen herroepen.” Er is verder nog een verschil. De personen tegen wie onder Johannes Paulus II maatregelen werden genomen konden rekenen op een welwillend oor van de seculiere pers, en dikwijls – zoals bij Hans Küng – konden ze verder genieten van succesvolle carrières buiten de officiële katholieke instellingen. Voor de zwijgende figuren in de Kerk van vandaag echter zal geen enkele seculiere instelling het opnemen; en zij geloven dat ze te maken kunnen krijgen met een financiële ondergang als hun oversten maatregelen tegen hen nemen.

“Vele academici”, zegt een professor, “verzetten zich op een rustige manier; wij doceren de waarheid in het leslokaal zonder er veel lawaai rond te maken. Maar velen van ons vermoeden dat, zelfs dan, onze dagen in de kerkelijke instituties geteld zijn.”

Sommigen geloven dat deze duidelijke aanpak hun zaak goed zal doen. “Omdat er geen goede argumenten tegen ons standpunt in te brengen zijn”, zegt een theoloog. Andere ontlenen troost aan het leven van de H. Athanasius die bijna alleen stond onder de bisschoppen van de vierder eeuw in de strijd tegen de Ariaanse ketterij en die ballingschap moest ondergaan, aanslagen op zijn leven en zelfs een excommunicatie van de paus. Maar de parallel is niet volledig: veel bisschoppen hebben de traditionele leer tegen de communie van hertrouwd gescheidenen bevestigd. Kardinaal Múller gelooft dat de dingen niet zo dramatisch zijn als sommigen willen doen geloven. “Er zijn veel bisschoppen die erg duidelijk zijn”, zegt hij. De kardinaal hoopt dat de katholieken de “omstreden en polemische discussie kunnen overwinnen” en de waarheid uitspreken met respect en pastorale gevoeligheid voor hen die moeilijkheden ondervinden in hun huwelijks- en gezinsleven”.  De kardinaal zegt dat de weg naar vrede ligt in een gezamenlijke toewijding aan de orthodoxie. “Niemand die Amoris Laetitia uitlegt in de context van de orthodoxe traditie mag disciplinaire maatregelen ondervinden”, zegt hij. “Alleen als iemand de principes van het katholieke geloof ontkent, kan hij bestraft worden. De bewijslast ligt bij hen die Amoris Laetitia in een heterodoxe zin willen uitleggen, dat wil zeggen in tegenstelling met de woorden van Jezus en de dogmatische beslissingen van het leergezag.” Leer en pastorale zorg mogen niet worden gescheiden, zegt hij: “Jezus Christus is tegelijk de leraar van het Koninkrijk van God en de goede herder die zijn leven geeft voor zijn schapen.”

Vertaling C. Mennen pr

zondag 29 oktober 2017

Waarom de gematigde benadering van paus Franciscus revolutionair is

door John Henry Westen – LifeSiteNews

Op 9 juni 2016 hield paus Franciscus een homilie die de sleutel is tot het begrijpen van zijn modus operandi als het gaat over geloofszaken. Hij voer uit tegen een “alles of niets” benadering van het geloof en hij zei: “dat is niet katholiek, dat is ketters”. Hetzelfde gevoelen zit achter zijn herhaalde en heftige kritiek op “starre” katholieken. De “starren” “lijken goed omdat zij de wet volgen”, zei hij, “maar daarachter zit iets dat hen niet goed maakt: of zij zijn slecht, huichelachtig of ziek”.

Paus Franciscus doet zijn best het niet-star zijn in praktijk te brengen, ofwel een strategie te volgen waarbij hij water bij de wijn doet ten aanzien van diverse geloofspunten. Speciaal op terreinen die de seculiere wereld het meest verafschuwt, punten waarop velen de Kerk verachten en belachelijk maken heeft Franciscus op een manier geacteerd die sommigen zien als een inperken van de kritiek op de Kerk. Het is wat velen een gematigde benadering zouden noemen, een modernisering van de Kerk of misschien een afzwakken van de uitersten.

Doorgaans zal paus Franciscus een leer van de Kerk verkondigen en dan onder de druk van moeilijke gevallen zal hij terugtrekken van de logische conclusie die uit de waarheid volgt. Hij zegt vaak dat hij een “zoon van de Kerk” blijft en vasthoudt aan de traditionele geloofspunten. Hij erkent wat hij noemt het “ideaal” maar in naam van de barmhartigheid laat hij in moeilijke gevallen een breed scala van uitzonderingen toe. Hij stelt dat “de werkelijkheid belangrijker is dan ideeën” en zo rechtvaardigt hij een versoepeling van de regels en dat is voor hem het “helpen” van de zwakken.

Wij hebben die benadering in de praktijk gezien.

* Amoris Laetitia prijst het ideaal van het huwelijk ‘voor het leven’ maar laat ook voor hertrouwd gescheidenen de mogelijkheid open in volle gemeenschap met de Kerk te zijn.

* Hoewel hij de katholieke leer tegen kunstmatige geboorteregeling formeel niet heeft verworpen, heeft Franciscus gezegd dat ze in bepaalde gevallen zoals bij een Zikavirusinfectie aanvaardbaar is. Bovendien heeft hij benadrukt dat katholieken niet moeten fokken “als konijnen”.

* Terwijl paus Franciscus het sacramentele huwelijk verheerlijkt heeft, heeft hij ook gevallen van ongehuwd samenwonen, met name wanneer zij monogaam samenleven, een “echt huwelijk” genoemd met de genade van een “echt huwelijk”.

* Paus Franciscus heeft dikwijls kritiek geleverd op de genderideologie en met name op het aanprijzen daarvan bij kinderen. Hij nodigde echter ook een transgender koppel uit in het Vaticaan en sprak over hen als “gehuwd” en gelukkig.

* Terwijl hij het bestaan van de hel toegeeft, heeft hij ook gezegd: “niemand kan voor eeuwig veroordeeld worden" en hij ging zelfs zo ver te suggereren dat mensen die niets met God te maken willen hebben totaal vernietigd worden in plaats van naar de hel te gaan.

* Hoewel hij heeft geschreven dat homoseksuele verbintenissen totaal niet gelijk zijn aan het huwelijk, heeft hij niettemin homoseksuele koppels omarmd en geeft daarmee de indruk hun relaties goed te keuren.

Om te begrijpen hoe revolutionair deze veranderingen zijn in de Kerk moet je begrijpen wat de benadering van de Kerk in deze kwesties is, een benadering die in haar tweeduizendjarige geschiedenis steeds dezelfde is geweest. Het is een benadering die gebaseerd is op absolute waarheden of morele principes, die geen uitzonderingen of compromissen toelaten.

Als je let op de nuances dan kun je verder kijken dan het vernis van een eeuwenoud katholicisme dat de breuk bedekt. Neem bijvoorbeeld het geval van een huwelijk na een scheiding. Het is in het algemeen waar dat er nergens in de Schrift staat dat Jezus iets speciaals gezegd heeft over homoseksualiteit. Maar in drie van de vier evangelies wordt vermeld dat Jezus uitspraken doet tegen een nieuw huwelijk na scheiding. Dus als de Kerk  in staat is de leer rond echtbreuk aan te passen, dan zou het nog veel gemakkelijker moeten zijn uitzonderingen te maken op andere morele onderwerpen waar Christus niet zo glashelder over was. “Ieder die zijn vrouw wegzendt en een ander huwt begaat echtbreuk, en wie een vrouw trouw die door haar man is weggestuurd, begaat echtbreuk”, heeft Jezus gezegd. Gedurende heel de katholieke geschiedenis is ditzelfde gehouden. Dat was de reden achter de onthoofding van Thomas More en de 500 jaar oude afscheiding van de Kerk van Engeland.

De Kerk is altijd grootmoedig geweest voor de zwakken. Katholieken die gescheiden leefden van hun huwelijkspartner en een relatie kregen met een ander werden al vóór paus Franciscus geholpen. Zelfs in de complexe situatie als het nieuwe paar nog jonge kinderen had en dus niet staat waren gescheiden te leven zonder de kinderen te schaden, waren ze onder Johannes Paulus II in staat de heilige communie te ontvangen. Dat was op voorwaarde dat ze leefden als broer en zus en niet als echtgenoten.

Paus Franciscus echter ziet dergelijke vereisten als onmogelijk en heeft daarom volledige communie toegestaan aan hen die leven in dergelijke verbintenissen zonder dat het nodig dat ze afzien van seksuele betrekkingen met de nieuwe partner al is de wettige huwelijkspartner nog in leven. Vanuit een wereldlijk gezichtspunt is de benadering van Franciscus logisch en de wereld houdt daarom van hem. Maar vanuit een katholiek gezichtspunt ondergraaft dit het vertrouwen in God die steun geeft aan hen die op Hem vertrouwen. Als de Kerk zegt dat het onmogelijk is te weerstaan aan de bekoring, en te leven op een moreel verantwoorde manier als je te maken hebt met scheiding en een nieuw huwelijk, zou ze dan ook niet zeggen dat dat onmogelijk als je te maken hebt met gerichtheid op hetzelfde geslacht, bekoringen tot pornografie of met een ongewenste zwangerschap?

Het lijkt erop neer te komen dat paus Franciscus geen vertrouwen heeft in de belofte van Christus die drie keer in de Bijbel is opgetekend. Als de apostelen reageren op Jezus’ eisen van zedelijk leven en suggereren dat zoiets hopeloos is, antwoordde Jezus: “Bij mensen is dat onmogelijk: maar bij God is alles mogelijk.”

10 oktober 2017
vertaling C. Mennen pr

donderdag 19 oktober 2017

Een sfeer van angst…. en niet ten onrechte!

Pastoor Mennen

De heilige Athanasius (+ 373) was in de ariaanse strijd de onvermoeibare voorvechter van het orthodoxe katholieke geloof in de goddelijke natuur van Christus. Dat moest hij als bisschop van Alexandrië  m
aar liefst vijfmaal met ballingschap bekopen. Het arianisme, hoewel veroordeeld op het Concilie van Nicea in 325, was het door het merendeel van de toenmalige Kerk aanvaarde geloof. Maar daarmee werd het nog niet de apostolische waarheid. Uiteindelijk heeft de orthodoxie gewonnen mede door de onbevreesde volharding van bisschop Athanasius.

We leven weer in een tijd waarin de ketterij een groot gedeelte van de Kerk in haar macht heeft. Nu is het de ketterij van het modernisme en meer specifiek van het relativisme en het pastoralisme. In die opvatting is de praktijk van alledag belangrijker dan de leer. Als we leven in een maatschappij waarin 40 % van de huwelijken strandt, dan kun je in de praktijk niet veel met de onontbindbaarheid van het huwelijk. Dan maak je van de onontbindbaarheid een ideaal dat velen niet kunnen halen en voor die velen zoek je een praktische oplossing in de Kerk. Dat laatste noemt men dan tegenwoordig “pastoraal”. Dat je daarmee feitelijk de onontbindbaarheid van het huwelijk die Jezus ons leert, tussenhaakjes zet, wil men uiteraard niet benoemen. Hetzelfde principe wordt ook toegepast op homoseksualiteit, euthanasie, abortus. De leer wordt gehandhaafd maar in de praktijk wordt deze op alle mogelijke manieren “pastoraal” ondergraven. We zien dat bij het zegenen van homoseksuele relaties. Dat moet pastoraal toch kunnen, zegt men, als je het maar geen huwelijk noemt. We hebben dat ook in Den Bosch gezien in het voornemen van de bisschop om de lgtb-gemeenschap op hun actiedag in de kathedraal te zegenen. De leer wordt gehandhaafd maar er worden “pastorale” oplossingen gezocht om de leer te omzeilen.
Een voorbeeld van relativistisch pastoralisme vinden we ook in de oecumene. Als er ergens een groot verschil bestaat in geloofsopvatting tussen katholieken en protestanten, dan betreft dit het ambt en de eucharistie. Protestanten geloven niet in het priesterschap en de volmacht die dit sacrament geeft om, met name in de eucharistie, in de persoon van Christus te handelen. Ze geloven evenmin dat de eucharistie een offer is en ook niet dat brood en wijn substantieel veranderen in het lichaam en bloed van Christus. Er zijn oecumenische groeperingen die deze leer niet ontkennen maar die leer gewoon “pastoraal” negeren “in het verlangen naar eenheid” en de behoefte aan “tafelgemeenschap”. Zij praktiseren de intercommunie en laten daarmee indirect, zonder het te zeggen, de katholieke leer verdampen. Veel oecumene is daarmee relativistisch geworden en een gevaar voor het geloof.

Dit pastoralisme en relativisme is vooral na Vaticanum II de Kerk binnengedrongen waarbij men zich niet rechtstreeks op teksten van het Concilie kon beroepen maar waarbij de alles goedkeurende dooddoener steeds “de geest van het concilie” was en is. (Mgr. Bruno Forte noemt zelfs paus Franciscus de belichaming van de geest van het Concilie). De postconciliaire pausen van Paulus VI tot en met Benedictus XVI hebben zich tegen dit pastoralisme en relativisme verzet. Zij waren een steun voor de trouwe priesters en gelovigen in gebieden met zwakke of liberale bisschoppen: iedereen kon zich beroepen op Rome en op de krachtige Romeinse documenten die trouw het katholieke geloof verdedigden.

Deze tijd is nu (voorlopig) voorbij. De huidige paus Franciscus bevordert in terloopse opmerkingen, geschriften en handelingen het relativistisch pastoralisme. Hij is meer in de praktijk geïnteresseerd dan in de leer. Een icoon daarvan is zijn beleving van Witte Donderdag. In de normale kerkelijke liturgische beleving opent de bisschop op deze dag het heilig Triduüm te midden van zijn gelovigen in zijn kathedraal. En de nadruk in de viering ligt op de instelling van de eucharistie en daarmee samenhangend  de instelling van het priesterschap. In de traditie van de Kerk is de voetwassing een ritueel, dat niet is voorgeschreven en dat pas enkele jaren in de Mis is opgenomen. Eeuwenlang was het een ritueel dat plaats vond tijdens de vespers of in een aparte plechtigheid, waarbij de bisschop de voeten waste van 12 priesters in navolging van Jezus die geen armen de voeten waste maar leerlingen die Hem Meester moesten noemen. De paus begint het Triduüm niet meer in zijn eigen bisdom en  de volledige nadruk van de viering ligt op de voetwassing van armen waaronder islamieten. Zo wordt Witte Donderdag sociaal praktisch gemaakt en worden ongemerkt de andere elementen gerelativeerd. Hierbij kan ook nog opgemerkt worden – en ook dat is misschien een icoon – dat de paus nooit knielt voor de eucharistie maar hij blijkt het wel te kunnen als hij de voeten wast.

Als de kardinalen vijf dubia formuleren en als 60 priesters en academici een correctio filialis schrijven heeft dat alles te maken met het feit dat de paus minstens de schijn wekt (en meer dan dat) dat hij de pastoralistische en relativistische ketterij bevordert, de katholieke waarheid afzwakt en de eenheid in de Kerk bedreigt.

Er is in de kringen rond de paus gezegd dat er “maar zestig” zijn. Afgezien van het feit dat dit geen argument is als het over de waarheid gaat, moet men beseffen dat het tamelijk riskant is voor de orthodoxie uit te komen, ook al doe je dat nog ze op beleefd en met eerbied voor het pausschap. De ballingschap van Athanasius is nog steeds actueel. Kardinaal Burke heeft voor zijn orthodoxie moeten betalen met een verbanning naar “Malta” en nog weer later met het ontnemen van de functies die hij op “Malta” had. Kardinaal Müller, bekwame prefect van de congregatie voor de geloofsleer, wordt met een smoesje op een zijspoor gezet. Ingewijden verwachten dat kardinaal Sarah, de verdediger van de juiste katholieke liturgie, spoedig aan de kant geschoven wordt`. En dichterbij, wat te denken van aartsbisschop Léonard in België die geen kardinaal werd en aan wie ontslag werd verleend op de dag van zijn 75ste verjaardag. Hij was waarschijnlijk te katholiek.
Wil je carrière maken in de Kerk, dan kun je je toch maar het best wat gedeisd houd
en of nog liever Franciscus bejubelen. Kritiek of wat daarnaar zweemt, in theorie of praktijk, kan tot “ballingschap” leiden.
Het voorbeeld van Franciscus leidt al tot navolging. De bisschop van Granada, Mgr. Francisco Martínez Fernández, heeft de bekende katholieke filosoof Josef Seifert ontslagen, alleen omdat hij beleefd aan de paus heeft gevraagd wat hij precies bedoelt in Amoris Laetitia. Seifert wijst er dan op dat pure logica laat zien dat er een atoombom onder heel de katholieke moraal ligt, als de paus zou bedoelen wat Seifert niet hoopt dat hij bedoelt

Er zijn heel veel mensen die het met de “zestig” eens zijn maar zich om allerlei redenen gedeisd willen houden. Er heerst een sfeer van angst want de “ballingschap” ligt op de loer.
Ik ben nooit zo bang uitgevallen geweest en bovendien ben ik met emeritaat.  De bisschop van Den Bosch zal zeker niet blij zijn met mijn ondertekening van het document: een lid van zijn kapittel, een docent van zijn seminarie…… Ik wacht maar af of er een zuivering komt. Zo ja, dan zal ik mijn “ballingschap” geduldig dragen….. in Vlijmen.

Feest van de heilige Aartsengelen
29 september 2017


Een gebed dat in deze tijd meer dan ooit op zijn plaats is:

Heilige Aartsengel Michaël,
Verdedig ons in de strijd.
Wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel.
Wij smeken ootmoedig dat God hem Zijn macht doe gevoelen.
En gij, vorst van de hemelse legerscharen,
drijf Satan en de andere boze geesten,
die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan,
door de goddelijke kracht in de hel terug.
Amen.